Wonen: residentiële segregatie in Amsterdam

Naar thema's

residentiële segregatie en woonomstandigheden tussen 1850 en 1940 in Amsterdam

De groei van de bevolking in Amsterdam na 1860 verslechterde de bestaande woonomstandigheden sterk. Steeds meer gezinnen moesten genoegen nemen met een kleine woning terwijl die gezinnen in omvang toe waren genomen. De stad kenmerkte zich rond 1850 door een sociaal gemengd oud Centrum, zelfs in de zijstraten van de elitaire Grachtengordel woonden mensen van bescheiden komaf. Deze sociale diversiteit was voornamelijk een verschil tussen straten. De volksbuurten de Jordaan, de Jodenbuurt en de Oostelijke Eilanden waren sociaal homogener: er woonden weinig rijkere en middengroepen. Een vraag is dus of de nieuwe woningbouw in de 19e en 20e eeuwse wijken zich kenmerkte door een scheiding tussen sociale klassen naar buurt en wijk. Een tweede of de oude stad in toenemende mate door city-vorming haar woonfunctie verloor en een vergaarbak voor de allerarmsten werd.

Publicatie

Hoe ver die scheiding (residentiële segregatie) ging en of ze net als in Amerikaanse steden het leidende principe werd, onderzoek ik in een artikel getiteld "Beter wonen. Woningmarkt en residentiële segregatie in Amsterdam van 1850-1940." Dit onderzoek is in november 2007 gepubliceerd in een bundel met artikelen naar aanleiding van de digitalisering van de Nederlandse Volkstellingen, getiteld Twee eeuwen Nederland geteld. Onderzoek met de digitale Volks-, Beroeps- en Woningtellingen 1795-2001 / red. O. Boonstra et al. Amsterdam: Edita, 2007.

Uitkomsten van het onderzoek

In Amsterdam werd na de invoering van de Woningwet van 1901 een aktief beleid gevoerd om de woonomstandigheden te verbeteren. Dat dit geen sinecure was blijkt uit het feit dat de woningbezetting pas in de jaren twintig een duidelijke verlaging liet zien. De verschillen in woonomstandigheden tussen de oude stad en de nieuwbouw springen duidelijk naar voren in de cijfers. Maar ook de verschillen tussen de armere en rijkere buurten van de stad waren in de twintigste eeuw prominent aanwezig. De residentiële segregatie die in de 19e eeuw in de Oude stad naar straat te zien was, kwam in de twintigste eeuw steeds meer op buurt- en wijkniveau te liggen.

De nieuwbouwbuurten van de 19e eeuw kunnen we zonder moeite sociaal indelen: de Zeehelden-, Staatslieden- en de Spaarndammerbuurt waren arbeidersbuurten. De Pijp en de Schinkelbuurt huisvestten de lagere middenklasse en de Vondelparkt-Concertgebouwbuurt de elite. De buurten in Oud-West en Oost waren voor de lagere middenklasse bestemd, maar zouden richting armoe afglijden. In de 20e eeuw zien we dit patroon zich herhalen: de Indische buurt werd een arbeidersbuurt, de Stadionbuurt een middenklassewijk, en de nieuwbouw in Plan West was een mix tussen arbeiders en lagere middenklasse.

We moeten daarbij een aantal kanttekeningen maken. Als we naar de verschillen tussen de wijken kijken, zijn die groot, maar we negeren dan de interne diversiteit van wijken. Naast duidelijke arbeiderswijken, waren er elitewijken. Daartussen bevonden zich wijken met lagere middenklasse groepen. In de wijken die meer middengroepen telden, hielden zich echter ook arbeiders op. In de Rivierenbuurt - een betere buurt - deelden mensen de grote woningen met de hoge huren. Kamers werden onderverhuurd. Hier voltrok zich een residentiële segregatie naar woning. Kortom, ondanks dat er een ruimtelijke concentratie van bepaalde groepen is, wil dat niet altijd zeggen dat deze wijken sociaal homogeen zijn. Er zijn dus twee aspecten: de concentratie van bepaalde groepen in wijken (de residentiële segregatie op het niveau van wijken) en de sociale samenstelling van buurten en wijken (de homogeniteit). Mijn onderzoek concludeert dat het reële woninggebruik een belangrijke factor in de sociale samenstelling van de wijk is. Dit woninggebruik zien we nauwelijks als we alleen naar de verschillen tussen wijken kijken.

Sociale verschillen op de woningmarkt kunnen dus tot verschillende residentiële segregatiepatronen leiden: homogene wijken met een eenzijdig woningaanbod (en dito huren) bestaan naast meer divers samengestelde wijken waarin het reële woningaanbod sterk bepaald wordt door de vraag. De homogene wijken in Amsterdam waren daarbij niet uitsluitend arm of rijk: de nieuwbouwwijken waren het thuis van de lagere middenklasse. Denk hierbij aan de Pijp of de Schinkelbuurt.

Regressie-analyses in dit onderzoek
De volgende bestanden bevatten de uitkomsten van een aantal regressies. De bespreking daarvan is in mijn artikel te vinden.
Cluster-analyses in dit onderzoek

In mijn artikel heb ik een EM (Expectation Maximization) clusteranalyse clusteranalyse is een methode om groepen te creëren op basis van verschillen en overeenkomsten in bijvoorbeeld gemiddelden. De EM clusteranalyse berekent een meest waarschijnlijk lidmaatschap van een groep. voor vier variabelen uit 1859 gedaan. Te weten: huisbezetting, huishoudens per huis, het percentage kiezers en de omvang van het huishouden. De huisbezetting is het aantal bewoners per pand. Voor huishoudens idem. Het percentage kiezers duidt op de beperkte groep mensen die mochten stemmen in verkiezingen (op basis van hun inkomen en vermogen). De resultaten zie je op de volgende kaart. De arbeiderswijken (geel) zijn het meest homogeen volgens deze clustering. De buurten in geel reken ik tot de arme buurten. Daar behoren nooit meer dan 6% van de gezinnen tot de kiezers. In de Jordaan is alleen buurt DD afwijkend. In de Jodenbuurt (P,Q,R,S) en de Oostelijke Eilanden (T) zijn alle buurten gelijk. In de Westelijke Eilanden tellen VV en TT tot de gemengde buurten, alleen UU behoort bij de armere buurten. Welke straten in deze buurten liggen toont de buurttabel van 1850.

clusters van buurten in 1859

De gemengde buurten (blauw) tellen kiezerspercentages tot 16%. De elitebuurten tot 23%. De arme buurten hebben de hoogste huisbezetting en aantal huishoudens per huis. De bevolkingsdichtheid is er het grootst en de mensen wonen er in de kleinste woningen.
Wat de elitewijken (rood) betreft: de Noordelijke Grachtengordel (SS-KK) en het aanliggende Centrum deel zijn ook homogeen. Deze uitkomsten zijn generaliserend: deze buurten waren zeker niet homogeen, maar de rijkere groepen domineerden er.

Pagina 2 residentiële segregatie

Laatst gewijzigd: 05-12-2017